Kofschip

Een kofschip was een zeilschip voor binnen- en kustvaart. Het leek veel op een smak en had een ronde voor- en achtersteven, en een platte bodem. Het voerde meestal twee masten en had doorgaans geen zwaarden. Het meest typische kenmerk van de koffen is dat zij een geveegd onderwaterschip hadden, wat direct terug te voeren was op de kogge en ewers. Ook hadden zij meer zeeg. De kleinere kofschepen tot circa 12 meter, die op het binnenwater en op de wadden voeren, waren wel voorzien van zwaarden, omdat een kiel dieper stak en ook problemen gaf met droogvallen. De grote koffen tot circa 28 meter hadden een bezaansmast achter de roef. Zij werden hoofdzakelijk gebruikt voor de handel op landen rond de Oostzee en haalden daar onder andere graan, vis en hout. Deze lading werd verkocht tot in het zuiden van Frankrijk, en daar werd veelal wijn als retourvracht ingenomen.